29/05/2026
Het was een ongekende maar zeker geen prettige sensatie. En even had ik geen idee wat er gebeurde. Maar toen drong langzaam het verschrikkelijke besef in mij door. De vrachtwagen was in beweging gekomen.
Ik was op dat moment net druk bezig een loodzware pallet van zijn plaats te krijgen. En dat met een palletwagen die bijna vierkante rubberen wieltjes had en ook nog eens langzaam omlaag zakte. Het was in een tijd dat ik nog geen vaste wagen had. En het telkens de vraag was of daar wel handtruck in stond. Meestal niet dus en moest je die voor het laden eerst ergens in onze loods opscharrelen. Meestal stonden er nog een paar aftandse wrakken op een vaste afgelegen plek in de buurt van het bandenrek, waar je nog een bruikbaar exemplaar hoopte te bemachtigen.
In dat bandenrek stonden een aantal reserve wielen met gerepareerde banden van verschillende maten. Had je de pech dat de wagen die je toegewezen kreeg een lekke band had, dan moest je die uiteraard eerst verwisselen. En om je extra werk te besparen kon je dan in de loods een ander wiel ophalen. Dat het soms nog best een aardige tippel was laat zich raden. We hadden een hele lange loods op de Westzeedijk in Rotterdam met nog eens een extra lang terrein waar de ongebruikte vrachtwagens extra ver weg stonden geparkeerd.
En dan is het wel handig om eerst de maat van de band te noteren en zeker het aantal gaten voor de bouten waar de wielmoeren aan vast zaten. Zodat je niet nog eens die hele wandeling hoefde te maken. Zoals mij de eerste keer overkwam. Had je de pech dat jouw maat niet voorradig was dan was je genoodzaakt om het reservewiel van onder je wagen te halen. Vaak een smerig en lastig karweitje. Met bouten die erg vast zaten of een hijsconstructie die bijna vastgeroest zat.
Nou hadden we een eigen werkplaats met monteurs op Zuid waar onze wagens in onderhoud gingen of gerepareerd werden. Maar in de buurt van de Westzeedijk ook een aparte garage waar het onderhoud en reparatie van onze heftrucks werd uitgevoerd. En die twee monteurs liepen ook regelmatig in onze loods. Enwaren meestal wel bereid om je een handje te helpen, mocht je het niet voor elkaar krijgen. Al was het wel de bedoeling dat je eerst zelf het karwei probeerde op te lossen. Net als het vervangen van een zekering of de kapotte lampjes.
Maar het was zeker niet de bedoeling dat je aan de motor ging sleutelen mocht die een mankement vertonen. Sterker, dat was streng verboden, daar hadden we onze eigen monteurs voor. Dus mocht je onderweg met panne staan, dan moest je op zoek naar een telefoon en naar de zaak bellen voor een monteur. En dat kon dan nog wel eens een uurtje aanlopen.
En zeker tijdens een nachtdienst als je ergens op een vluchtstrook was beland. Het begon al met het zoeken van een praatpaal van de wegenwacht. Had je geluk dan had je snel verbinding met de centrale die op zijn b***t naar de dichtstbijzijnde loods belde. Moesten ze wel de telefoon opnemen, vaak werkte de leiding net zo hard mee in de loods en hoorde de telefoon niet. Maar het kon ook gebeuren dat de praatpaal kapot was en kon je nog een stuk verder wandelen. Of je stond op een provinciale weg zonder praatpalen. Dan was je echt in de aap gelogeerd. Ga maar eens midden in de nacht ergens aanbellen. Maar met wat geluk passeerde er een collega die op zijn bestemming de planning kon waarschuwen.
Tja en daarna was het altijd heel lang op de monteur wachten. Die meestal nog gewoon in zijn warme bedje lag. Dus eenmaal wakker gebeld snel aankleden en op zijn fietsje naar de werkplaats, waar de servicewagen stond. Meestal een oude niet meer gebruikte bestelwagen. En dan maar hopen dat ie je weet te vinden en belangrijker de wagen kon repareren. Anders moest je gesleept worden en dat was zeker geen pretje.
Ooit zo eens met een sleepstang achter een vrachtwagen gehangen. Totaal geen zicht naar voren. En dan zonder je remmen te kunnen gebruiken. Met net genoeg lucht in de ketels zodat je wielen nog gewoon rond draaiden. En dan een monteur die er aardig de gang in hield. En dat van Utrecht naar Rotterdam. Doodsangsten heb ik uitgestaan. Je moest recht achter je voorganger blijven zitten, met een stang die niet langer dan twee meter was. Zodat je niet tijdens het afremmen tegen hem opklapte. En dat zonder stuurbekrachtiging.
Onze best wel magere maar sterke Joop Vleghaar in zijn blauwe ketelpak met fel rood haar en dikke brillenglazen was nog al laconiek toen we eenmaal terug waren en ik hem vol verwijten aanviel. “Veel te hard gereden joh. Welnee, we zijn toch heel terug gekomen?” Maar op Joop kon je nooit lang kwaad blijven. Een bovenste beste kerel die dag en nacht voor je klaarstond en altijd in was voor een grap en een grol.
Mijn hart sloeg over, ik wist zeker dat ik de vrachtwagen op zijn rem had gezet. Maar wellicht niet hard genoeg aan getrokken. Het was nog een ratel-rem die je een paar keer omhoog moest halen. De wagen in zijn versnelling zetten was zeker geen optie. Zo’n diesel had niet altijd contact nodig en kon zo aan slaan. Later had ik een vaste collega op de wagen die deze rem zo hard aantrok, dat ik hem bijna niet los kon krijgen. Dan moest ik letterlijk in de cabine gaan staan en met twee handen aan die hendel trekken om hem in geknepen te krijgen, zodat ik hem uiteindelijk met een klap omlaag de rem los kon slaan. Elke ochtend het gevecht met dat ding.
En toen was er de paniek. Ik vloog naar achteren en sprong de al wat sneller rijdende vrachtwagen uit. Kwam bijna ten val, maar rende toen in volle vaart achter mijn wagen aan. Gelukkig stond die niet op slot. Ik greep de hendel van de deur en wurmde mij naar binnen. Met een voet op het pedaal kreeg ik die zware vrachtwagen net op tijd tot stilstand, voor die een auto en de gevel van een woning ramde. Kwam ik goed weg mee en voortaan bij een aflopende weg toch maar voor de zekerheid een houten keg voor het wiel geplaatst. Bedankt voor uw aardige reacties op mijn vorig verhaal en een heel fijn weekend weer. (©)Wim van der Klein
Bron foto’s: Willi Steinhäuser, Archief Nederlandse Spoorwegen, Utrechts Archief en Wim van der Klein.